Inhoudsopgave
- Verongelijkt.
- Voorschot.
- Soberheid.
- Regelmatig.
- Avonturlijk.
- Foutloos.
- Ziektebeeld.
- Vriendelijkheid.
- Hoofdzaak.
- Alleskunner?.
- Levensverwachting.
- Twijfels.
- Vrede.
- Moeilijkheden/mogelijkheden.
- Gelukkig.
- Heden.
- Hoop.
- Wantrouwen.
- Mateloos.
- (G)een richting.
- VERONGELIJKT.
Je kunt geen appels met peren vergelijken. Deze volkswijsheid strekt uiteraard verder dan het fruitaanbod. Zij slaat op alle vergelijkingen. Alles in dit leven is eenmalig en daardoor uniek. Daarmee vervalt meteen de mogelijkheid tot vergelijken. Een onmogelijke opgave. Sommige mensen denken dat ze die som kunnen oplossen, maar zij kunnen echter niet voldoende rekenen.
Een vergelijking is per definitie gebaseerd op zeer drassige gronden en mist daardoor iedere fundering om enige mate van bestaansrecht te verwerven. Veel mensen kennen wel de spreuk: je kunt geen appels met peren vergelijken, maar aanzienlijk minder mensen beseffen terdege wat dit inhoudt. Ze zijn op de hoogte van het verschijnsel, maar laten die wijsheid niet echt tot zich doordringen op zo’n manier dat ze er hun voordeel mee kunnen doen.
Menigeen neemt bijvoorbeeld louter en alleen op basis van vergelijkingen beslissingen. Ik acht dit bijzonder onverstandig. Het zijn dan toevalstreffers als het goed uitpakt. Er speelt namelijk veel meer een rol dan alleen de vergelijkbaarheid met een eerdere gebeurtenis. Het leven is veel te complex om het op basis van één facet (vergelijking) te kunnen leven.
Dit grondbeginsel: niets is te vergelijken, geldt op ieder gebied. Principes die bijvoorbeeld op een bepaald terrein gelden, zonder nadenken op andere gebieden toepassen, is je begeven op gevaarlijk terrein. Als de wetenschap alleen maar volgens de methode van de vergelijking zou werken, zou de aarde al meerdere malen zijn vergaan. Als we bijvoorbeeld kernenergie na opwekking net zo zouden gebruiken als gas, was er geen kern meer overgebleven van alle energie op aarde.
Nu is dat niet alleen op wetenschapsgebied gevaarlijk, maar ook op het persoonlijke vlak dien je voorzichtig om te gaan met vergelijkingen. Let maar eens op als mensen hun zin willen doordrijven, hoe vaak ze dan gebruik maken van vergelijkingen. Ze blazen onderdeeltjes op tot bovendelen. Maken van muizen olifanten en zonodig van olifanten weer muizen.
Ze draaien en wenden alles op zo’n manier dat hun oplossing of zienswijze de beste is. Vooral als dit soort mensen persoonlijke ervaringen gebruiken als vergelijking, dien je bijzonder op je hoede te zijn. Tegengas geven is dan moeilijk, want dan zou je aan de integriteit van de persoon twijfelen. Gevaarlijke praktijken.
Een praktijkvoorbeeld: Je werkt op een afdeling en voelt je die dag niet echt gezond. Je gaat naar je chef toe en zegt: “ik voel me een beetje ziek”. Nu ligt het waarschijnlijk aan de chef zijn humeur en de drukte op de afdeling hoe hij zal reageren. Zal hij willen dat je doorwerkt dan zal hij je licht honend aanzien en lachend opmerken: “Een beetje ziek zijn kan niet. Je kunt ook niet een beetje zwanger zijn. Jij werkt maar mooi door”. Zijn opmerking over zwangerschap klopt. Je bent zwanger of niet. Bij ziek zijn of je ziek voelen is er echter wel een scala aan tussenliggende mogelijkheden.
Als de chef je echter kan missen en wat milder gestemd is en menselijker reageert, zal hij je toevoegen: “Als je je niet helemaal goed voelt, kruip dan maar gauw onder de wol, want mijn vrouw is drie weken geleden doorgelopen, terwijl ze zich niet helemaal goed voelde en heeft vervolgens twee weken het bed moeten houden”.
De chef gebruikt nu weer een vergelijking die op het eerste gezicht legitiem is. Verder gekeken probeert hij jouw ziektesituatie met die van zijn vrouw te vergelijken, wat dus simpelweg niet kan, omdat ieder mens en zijn ziektebeeld uniek en daardoor onvergelijkbaar is.
Het ligt dus aan de vergelijking die je chef hanteert, wat er met je zal gebeuren. Niet wat er met jou aan de hand is, maar de lukrake interpretatie van jouw chef bepaalt wat hij van jou verwacht. De chef gebruikt dus de vergelijking om zijn handelswijze op te funderen en te rechtvaardigen. Een vergelijking voldoet echter per definitie niet aan de voorwaarde waarop je iets kunt baseren, of nog erger kunt rechtvaardigen.
Een vergelijking is een vluchtig iets. Het is bijzonder ijl van constructie en als je goed kunt waarnemen zie je vrij snel dat je er doorheen moet kijken. Een vergelijking kan wel een hulpmiddel zijn om het doel in kaart te krijgen. Meer niet. Bekijk ze als richtingaanwijzers en bedenk dan dat er grapjassen zijn die ze wel eens andersom zetten. Wees dus op je hoede.
Ze kunnen de richting aangeven. Ze zijn niet de weg erheen en ze zijn helemaal niet het eindpunt, waar jij je op kunt richten. Zie ze als een kompas dat niet altijd betrouwbaar is. Je kunt er dus niet blind op varen. Je kunt er mede je koers door laten bepalen. Met vergelijkingen alleen koers je recht op je verongelijktheid af.
- VOORSCHOT.
Het is voor menigeen heel verleidelijk om dingen die je nog toe moeten vallen vast als feit aan een ander te slijten. Je maakt dan indruk, maar vergeet niet dat je een voorschot neemt op iets wat nog niet definitief is. Met die handelswijze neem je een bepaald risico, maar verderop daarover meer.
Hoe aanlokkelijk is het om bijvoorbeeld met een ander van gedachten te wisselen over je toekomstige promotie van assistent-werkbereider naar werkbereider. Je praat wat over je nieuwe verantwoordelijkheden, je houding tegenover mensen die nu nog gelijk met jou staan in de hiërarchie van het bedrijf en dat die collega’s aan je nieuwe status zullen moeten wennen. Tevens vertel je de ander, waaraan je het geld van de salarisverhoging wilt besteden.
Hoe langer je assistent-werkbereider bent geweest, des te hoger zal de vlucht zijn die je al in de toekomst kijkend aflegt. Je neemt echter een groot risico. Zoals zo vaak in het leven neemt dit leven vaak compleet onverwachte en niet te voorziene wendingen. Dat hoeft absoluut geen probleem te zijn. Dat ligt aan jezelf. Als je -in dit geval van de aankomende werkbereider- het voorschot al verzilverd hebt en de promotie gaat toch niet door, dan moet je -ironisch genoeg- meer terugbetalen dan dat je zelf als voorschot opgenomen dacht te hebben.
Een voorbeeld wat nog een graadje erger is, is het volgende: Een kinderloos echtpaar besluit, na het gestuntel van andere echtparen met kinderen aangezien te hebben (wat hebben wij het toch goed voor elkaar, zonder die blerende handenbindertjes), zelf ook kroost te gaan verwekken. Dit voornemen wordt volop rondgebazuind in de familie- kennissen- en vriendenkring. Er wordt zeer verheven over gedacht en gesproken: “Ja, we zijn er de afgelopen jaren echt naar toe gegroeid en we hebben in onze relatie ook die diepte bereikt, waardoor er nu voor kinderen plaats is. Nee, we zijn er echt helemaal aan toe: wij nemen kinderen”.
Het probleem zit hem in het woordje: nemen. Een compleet verkeerde voorstelling van zaken. Kinderen neem je niet, die krijg je. Natuurlijk, je moet zelf de eerste stap zetten om moeder natuur de vrije hand te geven, maar daarna ben je compleet overgeleverd aan die natuur. Je inbreng is veel beperkter dan je voor mogelijk hield. Het kan dus voorkomen dat het zo uitbundig in het voren jubelende echtpaar helemaal geen kinderen kan krijgen.
Ze zullen zich daar schlemielig onder voelen (dat is behoorlijk dom, want je hebt zelf geen daadwerkelijke invloed op dit “falen” gehad). Ze zullen zich nog schlemieliger voelen in de buurt van al die mensen die wel kinderen hebben en waar ze rondgetrompetterd hebben dat ze ook kinderen zouden nemen. (dat is terecht, want ze hebben zelf dit risico genomen en gelopen).
In dit voorbeeld zien we weer terug dat het nemen van een voorschot een riskante zaak is. Hier speelt nog iets mee en dat is het punt dat als je een voorschot incasseert, het bedrag van de werkelijke afrekening ook lager uitvalt. In een reguliere boekhouding gebeurt dit met exact hetzelfde bedrag. Incasseerde je bijvoorbeeld een voorschot van tweeduizend gulden, dan zal op de eindafrekening dezelfde tweeduizend gulden worden ingehouden.
In het leven ligt dit duidelijk anders en iets gecompliceerder. Daar laten de voorschotten zich niet exact becijferen en heb je er dus ook geen kijk op of het goede “bedrag” bij de afrekening er weer wordt afgehaald. Ik acht de kans levensgroot aanwezig, dat het leven meer inhoudt dan dat jij als voorschot dacht op te nemen.
Het plezier dat je namelijk beleeft aan het moment dat iets je toevalt zal geringer zijn, als jij je er al op ingesteld had. Je was er op die manier al in eniger mate van vervuld en daardoor kon je niet meer vol raken van de gebeurtenis. Als dat je er op in stellen, noem het verheugen, met de nodige voorzichtigheid gebeurt kun je gewag maken van voorpret.
Overschrijd je echter die grens van voorpret, dan betreed je het terrein waar we kunnen reppen van zelfbesteling. Een crimineel hoogstandje waarbij de dief tevens de aankomend gedupeerde is. Je jat dan iets van jezelf, wat je nog niet bezit. Dat zijn twee strafbare feiten en we kunnen het rustig aan moeder natuur overlaten, dat ze op een gegeven moment de rekening presenteert.
Het geeft geen pas om dan te gaan morren of klagen, want je krijgt immers de boemerang terug die je zelf weggooide. Alleen ben je op dat moment vaak vergeten dat je zelf die boemerang wierp en dat laat de klap vaak extra hard aankomen.
Het frappante van dit verschijnsel -je totale afrekening wordt minder als je zelf een voorschot neemt- is dat het alleen bij positieve zaken zeer sterk optreedt. Bij minder plezierige zaken (ziekte, lijden, angst etc.) maakt het minder uit of je al een voorschot genomen hebt. Als je je voorzichtig op een ongemak voorbereidt, zal de klap je iets minder verrassen. Je kunt jezelf wapenen tegen eventuele tegenvallers, maar dan leef je weer in angst. Het totale lijden wordt er dan niet minder van, terwijl dat volgens mij bij genieten (positieve ervaringen dus) door middel van het nemen van een voorschot wel gebeurt.
Uit voorgaande kun je concluderen dat zowel bij negatieve als positieve verwachtingen, het onverstandig is om voorschotten te nemen. Los van het feit dat je in werkelijkheid alleen maar in het heden leeft, kan zo’n schot voor de boeg je later doen zinken.
- SOBERHEID.
In de westerse wereld zijn we bijna allemaal omringd door grootse vormen van comfort. Water stroomt uit de kraan, licht uit de lamp, electriciteit uit stopcontacten en warmte uit kachels. Dit zijn stuk voor stuk enorme verworvenheden die ons leven op verregaande wijze vergemakkelijken. Het kan een constante bron van genot zijn als je de “tegenwoordigheid” van geest bezit om daar dagelijks bij stil te staan.
Dat lukt helaas niemand. Ieder mens is namelijk behept met een merkwaardig fenomeen: het gewenningsprincipe. Als je ergens aan gewend bent, ga je het als normaal ervaren en vanaf dat moment merk je het niet meer op. Het gaat deel uitmaken van je dagelijkse omgeving en omdat je die voortdurend ziet, neem je die op een bepaald moment niet meer bewust waar.
Dit gewenningsprincipe heeft voor minder prettige zaken een plezierig karakter. Je gaat die onvolkomenheden als normaal beschouwen en dan storen ze je ook minder. Bij positieve zaken heb je echter niet veel plezier van dit fenomeen. Dingen waar je enkele jaren geleden helemaal verrukt over was, raken je nu niet meer. Let wel, de dingen zijn op zichzelf niet veranderd, maar jouw manier van er tegenaan kijken, heeft een ontwikkeling ondergaan, waardoor je waardering ervoor aan slijtage onderhevig is. Dat is een jammerlijke gang van zaken.
Zo is het bijvoorbeeld ook enigszins te verklaren dat mensen die alles bezitten wat hun hartje begeert, zich toch onvolkomen voelen. Het is te vergelijken met het spreekwoord: door de bomen het bos niet meer zien. Iedere boom vertegenwoordigt iets dat je graag wilde, maar omdat die bomen op een bepaald moment een onderdeel van je dagelijkse omgeving worden, neem je ze niet meer waar. Je bent dus omringd door alles wat je wilt bezitten, maar bent -hoe ironisch zit de natuur in elkaar- niet meer in staat het te zien. Je bezit alles, maar bent de waardering ervoor kwijtgeraakt, zodat je dwars door je bezittingen heen het bezit niet meer ziet.
Gelukkig is er een manier om dat schrikbeeld te omzeilen: namelijk door af en toe bewust het sobere te zoeken. Een bijzonder goede therapie die al heel vaak zijn nut heeft bewezen, is het voor één weekend wild gaan kamperen. Dus niet op een camping met alle voorzieningen binnen handbereik, maar in de vrije natuur. Ik beloof je een cultuurshock.
Als je het overleeft, zul je je huis -dat je vrijdagmiddags als iets gewoons verliet- op zondagavond als een groot wonder ervaren: Kijk, water uit de kraan. Zie, als ik die knop om draai gaat het licht branden. Kijk, de W.C.. Oh, wat een groot bed. Kijk, hoe gemakkelijk je kunt koken. Zie, hoe droog je binnen zit, als het regent.
Het is verstandig je op dat moment van euforie te realiseren dat het huis en zijn mogelijkheden niet veranderd zijn, maar dat de manier waarop je je huis ervaart aan veranderingen heeft blootgestaan. Met zoals bijna alles in het leven zeggen gebeurtenissen en voorwerpen van zichzelf niets. De manier waarop jij er tegen aan kijkt laat ze spreken op een manier die alleen jij verstaat.
Dit fenomeen is op meerdere gebieden te veroorzaken. Als je gewoonlijk met de auto naar je werk gaat, zou je eens voor een week met het openbaar vervoer moeten gaan. Je zult na die week je auto vertroetelen. Als je normaal van het openbaar vervoer gebruik maakt, ga dan eens een week lopend naar je werk. Na die week zul je de conducteur van blijdschap kussen. Als je altijd lopend naar je werk gaat, zou je eens voor een week naar je werk moeten kruipen. Daarna zul je dolblij zijn met het vermogen om te kunnen lopen.
Het gewenningsprincipe is ook te ontwaren als je afscheid van iets of iemand moet nemen. Pas als iets of iemand voor altijd verdwenen is, realiseren we ons, wat het of hij of zij voor ons werkelijk betekende. Ook dan merk je dat na verloop van tijd je waardering voor iets of iemand niet afnam, maar dat het niet meer volledig tot je wist door te dringen. Je realiseerde je het niet meer ten volle en was je van dat verschuiven van die waardering niet bewust.
Die verschuiving vindt altijd plaats in de mens zelf en in diens ervaring, nooit in de materie. Dat is iets om even bij stil te staan. Het zou namelijk zonde zijn als jij midden in het bos staat en door de bomen heenkijkt, waardoor je denkt dat er niet van een bos sprake kan zijn. Daarom lijkt het mij aan te raden om eens in de zoveel tijd weer terug naar af te gaan, waardoor je er als het ware weer als nieuw tegen aan kunt kijken.
Ik wens je de moed en kracht toe om af en toe eens bewust het sobere te zoeken. Je krijgt er meer voor terug dan je ervoor inlevert, dat beloof ik je. Van het sobere word je misschien eerst niet helemaal goed, maar daarna voel je je weer een hele tijd beter en dat is toch het beste.
- REGEL-MATIG.
Een regelmatig leven is iets wat de meesten van ons nastreven. Een loffelijk streven met echter één maar. Als je een regelmatig leven hebt, ervaar je dat niet meer als zodanig. Er lijkt iets te ontbreken. Wat ontbreekt is namelijk het volgende: het besef dat dit het regelmatige leven is dat je nastreefde. Op het moment dat je het hebt, verlies je het vermogen om het gewaar te worden. Het lijkt een vreemde paradox, maar zo ligt het.
Een voorbeeld: Wie geen bezetting heeft meegemaakt, weet niet werkelijk wat vrijheid is. Zo iemand leeft dus wel in vrijheid, maar weet dat eigenlijk niet. Ja, verstandelijk zal hij het wel weten, maar hij is er zich niet ten volle van bewust. Een gedachte die tot verder redeneren uitnodigt.
Ook iemand die de oorlog heeft meegemaakt, verliest (uitzonderingen daargelaten) na verloop van tijd het besef van vrijheid. Op het moment namelijk dat je bevrijd bent, verlies je na enige tijd het besef dat dit het is. Het wordt na vervulling verdrongen door iets anders: een leegte op de plek waar eerst het verlangen zich huisvestte. Wat was er ook al weer? O, ja, dat schrijnende verlangen naar vrijheid.
Zogauw het verlangen vervuld is, verdwijnt het. Het gat wordt gevuld en je vindt het gat niet meer terug. Het grote gat (verlangen naar vrijheid) is verdwenen. Kleinere zaken (kleinere gaten), die anders of beter moeten of kunnen, trekken dan de aandacht en vragen om in- en vervulling. Zo werkt het met regelmaat ook. Op het moment dat je het bezit, verlies je het besef van dat bezit.
Bij regelmaat speelt nog iets mee en dat is dat het een heel rekbaar begrip is. Dat komt omdat het er aan ligt, waaraan je het relateert. Iemand die bijvoorbeeld één keer per jaar in één van de zomermaanden met vakantie gaat, gaat dus gemeten per jaar regelmatig op vakantie. Bekijk je de situatie per maand, dan blijkt er absoluut geen regelmaat in te zitten. Gemeten per dag is er ook geen enkele regelmaat in te ontdekken. Ook iemand die bijvoorbeeld altijd heel onregelmatig leeft, leeft (weids beschouwd) toch regelmatig omdat zijn onregelmatigheid in dit geval de regelmaat is.
Door deze constateringen dringt de conclusie zich op dat regelmaat een niet exact te precisieëren begrip is, dat door ieder mens per situatie anders ingevuld kan worden. Verder redeneren hierover acht ik onverstandig, omdat dan na verloop van tijd de aandrang tot zoeken en redeneren zal verdwijnen.
Ik geloof dat ieder mens behoefte heeft aan een bepaalde regelmaat. Wij mensen vinden het namelijk prettig als we tot op zekere hoogte weten waar we aan toe zijn en wat ons te wachten staat. De één gaat daar heel ver in en de ander zoekt het weer dichter bij huis.
Een bepaalde regelmaat, een ritme waarin bepaalde zaken op gezette tijden terugkomen, kan een prettig gevoel veroorzaken. Dat verschilt per mens. De één wil exact weten wat er gaat gebeuren en een ander houdt het liever wat waziger zodat hij zich nog kan laten verrassen. Beide opties zijn te respecteren.
Wie zich goed voelt bij een bepaalde regelmaat, hoeft daar dan ook niets aan te veranderen. Alleen om de bekoringen van die regelmaat te kunnen blijven ervaren, acht ik het zinvol dat je af en toe vrijwillig uit dat ritme stapt, waardoor je er weer zicht op krijgt. Het is echter moeilijk te bepalen wanneer je het ritme moet breken, om het weer terug te vinden.
Het heeft ook iets paradoxaals: je moet als het ware iets uittrekken voordat je weer in de gaten kunt krijgen dat je het aanhad. Maar als je dat lukt, dan zit het je daarna weer lekker en past het je als gegoten. En het belangrijkste is dat je dat dan niet alleen weet, maar ook voelt.
Want hoe je het verder ook inkleedt: Een te regelmatig leven, wordt in de regel als matig ervaren.
- AVONTUURLIJK.
Ieder mens wil naast enige regelmaat ook graag een portie avontuur in zijn leven. Deze portie moet echter wel binnen bepaalde proporties blijven, want we willen het wel graag leuk houden natuurlijk. Sommigen zoeken het in een vorm van pseudo-avontuur. Ik bedoel het onder begeleiding bergbeklimmen, wildwaterkanoën, zweefvliegen en zaken als survival-weekends en overlevingstochten.
Het probleem met deze vorm van avontuur zit hem vooral in de begeleiding. Deze is opgeleid en in de regel terdege toegerust om alles in goede banen te leiden. Daarmee is gelijk de verrassing -bijna compleet- uitgebannen. Er kan haast niets meer mis gaan en in die mogelijkheid schuilt juist het werkelijke avontuur: het ongewisse.
Dat ontneem je jezelf door op zeker te spelen. Als je dat wilt en je beseft dat je alleen maar in je hoofd een avontuur beleeft, is deze surrogaatavonturerie nog enigszins te billijken. Mede omdat je de moeite neemt om er zelf op uit te trekken.
Nee, waar ik het over wil hebben is een heel andere categorie mensen. Degenen die iedere avond voor de T.V. zitten en in de weekeinden het verplichte familie- en kennissenbezoek afleggen en afgelegd krijgen en de verjaardagscarrousel van iedere relatie braaf aflopen. Daar kijk je vanaf de zijkant vrij saai tegenaan. En zo is het ook. De rolverdeling thuis ligt vast. Bij de familie heeft en weet iedereen zijn plekje en bij de vrienden- en kennissenkring wil er nog wel eens iets verrassends gebeuren als er een compleet vreemde opduikt.
Deze mensen voelen zich dikwijls gebonden aan gezin, familie en derden. Dat zien ze echter helemaal verkeerd. Ze zijn ermee verbonden. Meer niet. Dat is heel iets anders als gebonden zijn. Men voelt zich geketend, bezit zelf de sleutel, maar wil vaak niet weten dat men zichzelf kan bevrijden. Nee, ze beklagen zich liever over gebrek aan avontuur en verrassingen, in plaats van zelf het heft in handen te nemen. Men wacht zogezegd op de Verlosser die ze zal ontketenen. Nou heeft de Verlosser hoogstwaarschijnlijk wel iets anders aan zijn hoofd, maar in ieder van ons zelf schuilt een verlosser. Je kunt anderen helpen zichzelf te verlossen, maar -nog belangrijker- je kunt jezelf ook verlossen.
Het getuigt van een bijzondere naïviteit als je voor je T.V. gaat zitten wachten tot er iemand langskomt die zegt: “Kom, we gaan dit of dat maar eens doen”, vervolgens al je tegenwerpingen negeert en je het avontuur en onvoorbereide plezier schenkt, waar je -in je hart- zo naar hunkert. Als je zo iemand kent, wees er dan heel zuinig op, want moeder natuur heeft ze dun gezaaid. De kans dat je zo iemand treft is bijzonder klein. Veel te klein om er alleen maar op te wachten. Nee, je zult je eigen ingesneeuwdheid moeten ontdooien om eruit te komen.
Het recept is eigenlijk simpel. Doe eens iets wat je daarvoor nog nooit gedaan hebt en waarvan je niet weet hoe het je zal vergaan (er zijn uiteraard grenzen). Je zult, als je er tenminste voor open staat, het leven weer in je voelen stromen. De keiharde sneeuw verandert in een bruisende rivier. Je zult -om de vergelijking nog verder door te trekken- uit je winterslaap ontwaken en als je de ogen open houdt zal het voor altijd lente bij je zijn.
De lente is echter iets wat zich ieder voorjaar (zij heeft tot nu toe nog nooit overgeslagen) uit zichzelf meldt. Daarvoor hoeven wij mensen geen enkele inspanning te leveren. Wie echter enig avontuur aan zijn leven wenst toe te voegen moet het alleen wel zelf aanzwengelen. Je kunt niet wachten tot het avontuur bij jou komt. Je moet er zelf naar op zoek.
Wie echter het lef heeft om te beweren dat hij te weinig meemaakt, ontbeert klaarblijkelijk zelf het lef om de stoute schoenen aan te trekken en erop uit te trekken. De oorzaak kan alleen maar in jezelf liggen. Aan de natuur en de wereld ligt dat niet, want daar gebeuren -als je het tenminste wilt zien- de meest ongelofelijke dingen. Een voorwaarde is wel dat je bereid bent je ervoor open te stellen. Het avontuur ligt op straat en om de hoek, maar je moet dan wel de hoek en de straat uit waar je nu nog in zit.
- FOUTLOOS.
Een mens heeft veel constructiefouten. Alsof dat nog niet genoeg is voegt hij zelf ook nog het een en ander toe aan zijn onvolkomenheidsarsenaal. Eén van die toegevoegde fouten is, dat als er iets onplezierigs gebeurt, we bijna vanuit een impuls een ander de schuld geven. Die reactie ontstaat vanuit een soort van zelfbescherming en zelfbehoud. De hierachter liggende reden is dat we onszelf niet graag een fout zien maken.
Het vreemde is echter dat er niets menselijkers is. Wie een beetje mensenkennis heeft weet dat iedereen wemelt van de fouten. Niet iets om je druk over te maken, maar om te zien als een gegeven, waar je mee hebt te leven. Zij die hun eigen fouten moeilijk erkennen, ontkennen eigenlijk op die manier hun eigen bestaan. Veel mensen vinden dat het toegeven van een fout iets vernederends heeft; deemoedig het hoofd buigen etc. Van dat soort terminologie.
Van het tegendeel is in werkelijkheid echter sprake. Er is bijna niets groters dan in te zien dat je een fout maakt en het grootste is om volmondig toe te geven dat je fout zat. Als je zover bent, ontdek en ontwikkel je jezelf en omdat via zelfkennis en zelfacceptatie de kortste weg naar geluk loopt, zit je, door zo om te gaan met je fouten, in ieder geval in de goede richting.
Toch bewandelen weinig mensen die weg. De redenen die hieraan ten grondslag liggen zijn niet altijd van edelmoedigheid doordrenkt:
Ik moet me toch groot houden.
Ik kan me toch niet laten kennen.
Ik ben zijn chef, dus ik moet de poot wel stijf houden.
Tegenover hem wil ik helemaal niet weten dat ik fout zat.
Ik vertik het om voor hem te buigen.
Ik moet me toch laten gelden.
etc.
Het is typisch dat al deze grondslagen verankerd liggen in het ego. Deze opgeblazenheid doet verhinderen dat mensen tot hun werkelijke proportie worden teruggebracht. Velen prefereren veel liever de gemaakte schijn met al zijn energieverslindende wanstaltigheden, dan het open en kwetsbaar jezelf zijn. Als mensen bewust kiezen voor het geforceerde en onwerkelijke en men de lusten en lasten die dat met zich meebrengt kent en te dragen acht, is dat een bewuste keuze die ieder ander te respecteren heeft.
Anders wordt het als je je niet bewust bent van je onnatuurlijke en overdreven gedrag. Dan heb je het zicht op jezelf verloren en kun je tot een plaag uitgroeien voor mensen die je omringen. Dan is er ook haast niet meer met je te communiceren. Onbereikbaar ben je geworden, niet alleen voor een ander, maar -nog veel erger- ook voor jezelf.
Het vergt niet veel voorstellingsvermogen om te kunnen schetsen wat er gebeurt als dit type mens (Ik doe nooit iets fout en hoef dus ook nooit toe te geven) een soortgenoot treft. Geestelijke veldslagen kunnen dan ontstaan die -en dat is dubbel verderfelijk- vaak worden uitgevochten over de ruggen van onschuldige omstanders.
Het zou eigenlijk zo simpel kunnen zijn. Je zou eerst moeten bezien of iets door jou toedoen fout gelopen is. Kun je niets ontdekken, dan kun je een naaste die kritisch tegen je durft te zijn voorzichtig vragen of die de indruk heeft, dat jij iets verkeerd gedaan hebt. Als die na ampele overweging ook tot de conclusie komt, dat jou niets te verwijten valt, is pas het moment aangebroken om heel omzichtig de fout bij een ander te gaan zoeken.
Het lijkt een omslachtige weg, maar het is, mijns inziens, de enige juiste. Eerst bij jezelf zoeken en te rade gaan en dan de blik met de nodige bescheidenheid op een ander werpen. Dit volgens het principe uit de bijbel: hij die zonder zonde is werpe de eerste steen. Die stelregel zou je zonder problemen over kunnen zetten in: hij die foutloos is, mag een ander op zijn fouten wijzen.
Consequent toegepast zou dat betekenen dat geen enkel mens -foutloze mensen bestaan niet, dat zijn geen mensen- een ander aan of af mag vallen op een eventuele fout. Je zou mensen de ruimte moeten geven om zelf te ontdekken wat ze gedaan en veroorzaakt hebben. Je zou alleen -op een prettige manier gebracht- kunnen proberen ze wijzer te maken.
Helaas ontbreekt er in de huidige maatschappij de tijd, bescheidenheid en innerlijke beschaafdheid om dit in praktijk te kunnen brengen. We kunnen alleen maar hopen dat de jachtige en op uiterlijkheden gerichte levensstijl van de huidige mens ten goede zal veranderen. De wereld zou er dan beter uit kunnen zien. We zouden immers niet minder fouten maken, maar we zouden ze op een andere manier maken en verwerken.
Om ergens te beginnen zou het verstandig zijn om fouten te gebruiken om zelf wijzer te worden. Dat is de manier waarop we er mee om moeten gaan. De manier waarop we dat nu doen, daar wordt uiteindelijk geen mens wijzer van.
- ZIEKTEBEELD.
De menselijke geest en het menselijk lichaam zijn prachtige instrumenten, die zeer ingenieus in elkaar zitten en passen. Als je naar de kale feiten kijkt is het ongelofelijk dat wij kunnen praten, denken, voelen, lopen, groeien, etc. Wij zijn één wonder. Net zo’n wonder als de hele natuur is. Een zo groot systeem dat zichzelf in stand weet te houden. Dat moet onder een wel zeer vakkundige en “bezielde” leiding in elkaar zijn gezet.
Aan ieder detail is zorg besteed en alles heeft zijn nut en functie. Niet dat wij van ieder onderdeeltje de bestaansreden weten, maar wij kunnen wel concluderen dat alles op een geweldige manier in elkaar steekt en op een harmonische manier samenleeft. Wie er oog voor heeft, kan alleen maar vaststellen dat de natuur een plaatje is.
Nu is helaas niet alles pais en vree in de schepping. Er gaat naar onze maatstaven gemeten nogal eens iets mis: ziektes, natuurrampen, geestelijk zowel als lichamelijk gebreken, ongelukken, etc. Naar mijn mening zal ook daar wel een diepere betekenis achter zitten. Deze zit echter zo diep dat wij -beperkt als wij zijn- die betekenis niet kunnen achterhalen.
Feit is wel dat alles dat wij waar kunnen nemen en kunnen overzien en begrijpen, logisch in elkaar zit. Er is -wat dat betreft- nergens sprake van overbodigheid of inefficiency. Ik denk dat ook alles wat wij niet kunnen waarnemen, overzien en begrijpen eveneens goed in elkaar steekt.
Dat is niet een kwestie van geloven, meer een kwestie van vertrouwen. Het wil er bij mij niet in, dat het gedeelte wat wij “doorzien”, logisch in elkaar steekt, en het gedeelte dat wij niet “doorzien” onlogisch in elkaar zou steken. Als je nuchter nadenkt, zie je dat het breekpunt van die redenatie op onze grenzen zou liggen. Een verwerpelijke en letterlijk kortzichtige gedachte lijkt mij.
Nou zijn er veel facetten van de natuur die wij niet kunnen doorgronden, maar ik wou er ééntje uit lichten: ziekte. Waarom komt de één in een krakkemikkerig lichaam en een ander in een praktisch onverwoestbaar lichaam terecht? Dat is één van die punten die onder ziekte valt. Wij weten niet waarom dit gebeurt. Wij hebben daar geen kijk op. Wij staan daar zogezegd machteloos tegenover. Waarom machteloos?, omdat we daar geen macht over hebben? Je kunt zelf -gelukkig!- niet bepalen aan welke ziektes en in welke volgorde je aan die ziektes zult lijden. Dat is een gegeven.
En nu heb ik je waar ik je graag mee naar toe wou nemen. Een gegeven paard mag je niet in de bek kijken. Een gekregen lichaam en geest heb je maar te accepteren. Je kunt er niet mee terug naar de leverancier en er zit ook absoluut geen garantie op. Je moet maar afwachten hoe lang lichaam en geest het houden en waartegen ze bestand zijn. Daar zit geen enkele prestatie van jezelf bij. Je krijgt het: ongezien. Je kunt het niet eerst even passen of op proef mee naar huis nemen.
En daarom is het zo vreemd dat mensen die ziek raken of niet meer volledig kunnen functioneren, zich dit zo aantrekken. Ik wil absoluut niet beweren dat ziekte iets is om juichend tegemoet te treden. Nee, absoluut niet. Het enige wat ik probeer uit te leggen is, dat als je lichaam of geest ziek wordt, je geen blaam treft.
Hier dien ik even pas op de plaats te maken. ik ga namelijk van goeder trouw uit. Ik reken erop dat je zo verstandig en gezond mogelijk leeft. Als je ongezond leeft en je wordt getroffen door het een of ander wat daar een gevolg van zou kunnen zijn (ik weet dit is moeilijk na te trekken, maar probeer het zonder aanziens des persoons), dan mag je niet mopperen. Dan nam je bewust of onbewust een bepaald risico. Laten we het eigen risico noemen. In dat geval werkt het principe dat iets dat je overkomt niet jouw schuld is, omdat het een reeds aanwezige mankement betreft, niet. Dat zou je kunnen vergelijken met de opmerking die bijna altijd op een garantiecertificaat vermeldt wordt: bij eigenlijk gebruik.
Nee, dit verhaal en deze vlieger gaan op voor mensen die normaal leven en die dan wat overkomt. Mensen met een ingebouwde constructiefout dus. Als dit soort mensen getroffen wordt, moeten ze er voor waken dat ze dit gaan beschouwen als falen. Je faalde namelijk niet, maar je kon niet beter of verder. Het verschil tussen deze twee interpretaties is van levensbelang voor de geestelijke gezondheid van de kwakkelende mens. Hoe de omgeving er ook tegenaan kijkt. Jou treft -bij eigenlijk gebruik- geen schuld. Je moet je dan dus ook niet schuldig voelen.
Het staat er heel simpel, en het is ook niet anders. Je maakt het probleem en het lijden groter als je je zou schamen voor iets dat je -letterlijk- overkomt. Een verkeerde instelling daarover zal nog meer klachten en lijden aantrekken en die heb je dan -eerlijk is eerlijk- wel aan jezelf te danken. Die tweede categorie klachten moet je dus voor zijn. De eerste categorie is vaak al erg genoeg.
Het is belangrijk te weten dat je niet per definitie tekort schiet op het moment dat je ziek wordt. Het hoort er -hoe lastig het soms ook kan zijn- gewoon bij. Als anderen je daarop af of aan menen te mogen vallen, bezitten deze mensen geen gezonde visie op het leven.
Het is altijd bijzonder spijtig te moeten concluderen, dat sommige mensen hun leven laten vergallen door onontkoombare feiten. In dat geval bepaal je echt zelf hoeveel last je ervan ondervindt. Er blijft immers altijd iets over waar je je aandacht en hoop op kunt richten.
Als je dat niet wilt, verzoen je je met de dood, terwijl het leven je nog best wil kussen.
- VRIENDELIJKHEID.
Onze maatschappij heeft zich in de laatste decennia dusdanig ontwikkeld dat het normaal is geworden dat mensen de meest menselijke reacties onderdrukken. Ik doel hier uiteraard op emoties. Emoties maken een onlosmakelijk onderdeel van je leven uit. Ze wellen in jou op. Ze zijn van jou en van jou alleen. Je kunt ze niet ontkennen, wegdrukken of wegstoppen. Dat kan misschien wel even, maar op termijn loopt de emmer vol, die moet toch ooit een keer geleegd worden en dat is dan vaak zoveel geworden dat je dat als een koude douche zult ervaren.
Je kunt er maar beter aan toe geven, dat is gezonder. Helaas laat de omgeving je vaak niet veel ruimte om je emoties te tonen. Dat is niet normaal. Nee, ik schrijf het verkeerd, het is wel normaal maar het wordt door mensen niet meer als normaal ervaren. Een schrikbarende en teleurstellende ontwikkeling die het leven kil en koud maakt. Je innerlijk, je wezen, je eigenlijke zijn ontken je door er niet aan toe te geven.
Iemand (een emotie) belt bij je aan, maar je doet niet open. Ja, je wilt misschien wel open doen, maar je durft niet. Je weet niet exact wat je in huis haalt en bent bang dat het je teveel zal zijn. Maar het kan nooit teveel zijn, want groter dan jou kan het nooit zijn. Het is een onderdeel van je en dat kan nooit groter zijn dan het geheel. Het is wel zo dat als je je deur stijf op slot doet, hetgeen wat aanbelde zulke proporties aan kan nemen, dat het je, als het wel met de deur in huis valt, op dat moment teveel is.
Onderken dan dat je, door het te ontkennen, het zelf uit de klauwen hebt laten lopen. Het klinkt tegenstrijdig maar het is waar: door iets te verwaarlozen wordt het groter en sterker. En als je dat lang genoeg volhoudt, ben je straks niet meer tegen jezelf opgewassen. Paradoxaler kan niet: Je zit jezelf in de weg. Onverwerkte emoties zorgen dan voor een onwerkbare situatie.
Nu zal een oplettende lezer begrijpen dat ik het in het voorgaande over negatieve emoties heb, die we verborgen houden. Nog veel erger is eigenlijk dat we positieve emoties ook binnen de perken proberen te houden. Let maar eens op. Hoeveel mensen durven nog intense blijdschap te tonen, of duidelijk te tonen hoe blij ze met iets of iemand zijn. Helaas is het mode geworden om in dit soort gevallen wat gereserveerd te reageren.
Dat is vooral bijzonder spijtig als je door die uiting iemand anders blij kunt maken. In het geval van vriendschap bijvoorbeeld. Door iemand vanuit je hart en recht in zijn gezicht te vertellen hoeveel je om hem of haar geeft en hoe blij je bent met de vriendschap. Die ander zal in het hart geraakt zijn op een onvergetelijke manier.
Hoe vaak komen we er niet achter dat we zoiets hadden willen zeggen. Inderdaad: bij de dood. Lees de rouwadvertenties maar eens. Bijna iedereen rept over een onvergetelijke vriend, een gabber, een steun en toeverlaat, etc. Vaak wordt er dan met de gebruikte superlatieven wat overdreven. Bepaalde eigenschappen en prestaties worden ineens wat positiever belicht dan de historie zou rechtvaardigen. Dat komt volgens mij vooral omdat men het nooit heeft laten blijken. Een soort goedmakertje dat extra wordt aangedikt om het verzwijgen uit het verleden te overschreeuwen. Je voelt je wat schuldig en doet er dan wat extra’s bij.
Van de ontvanger (overledene) van die boodschap echter, is niet met zekerheid te zeggen of we die inderdaad ontvanger mogen noemen. We weten niet of we na onze dood in staat zijn de rouwadvertenties er op na te slaan, of te luisteren naar de toespraken bij de begrafenis of crematie, om gewaar te worden wat er dan over ons geschreven en gezegd wordt.
Ik denk dat iedere overledene met stomheid geslagen zou zijn. Eerst zal deze denken dat er een misverstand in het spel is. Wat later zal deze toch moeten concluderen dat deze halfgod die door en door vereerd wordt toch echt hemzelf betreft. Ik kan mij indenken dat een overledene zich dan heel treurig gaat voelen.
Eerst doodgaan, dat is al iets waar de gemiddelde sterveling niet echt naar uit kijkt. En dan ook nog zoiets er overheen. Mensen die altijd heel koel en gereserveerd tegen je deden, blijken je als een bijzonder warm mens ervaren te hebben. Het lijkt me gruwelijk om na je dood te moeten ontdekken, dat je leven mooier was geweest als mensen dat toen hadden laten blijken. Ik weet niet of je na de dood nog een hoofd bezit, maar ik kan me indenken dat je dat nog vaak zult schudden van onbegrip.
Het lijkt zo logisch en vanzelfsprekend om iemand eens te laten blijken wat je voor diegene voelt, maar helaas is het dat niet. Het zal niet alleen die ander, maar ook jezelf goed doen om je warmte en vriendschap onder woorden te brengen, of duidelijk te maken, je komt dan zelf ook meer onder de mensen. Het kost je helemaal niets en je krijgt er een warmer en rijker leven door. Je kunt het ook opsparen, maar dan loop je het risico dat de boodschap niet meer aankomt. Je hebt het dan ook niet opgespaard, maar langzaam laten verdwijnen.
Het is al jammer dat er zoveel goeds op aarde verdwijnt. Het is gruwelijk jammer dat er zoveel goeds tussen mensen onderling verdwijnt. Je hoeft het alleen maar te zeggen. Het zou vanzelfsprekend moeten zijn, maar we houden het schijnbaar stil tot die ander het niet meer kan horen. En als het zover is menen we het te moeten schreeuwen, nee zelfs overschreeuwen.
Desnoods fluister je het als het nog kan, maar zeg het. Hou het niet stil, totdat de dood de stilte laat vallen.
- HOOFDZAAK.
In ieder mens speelt zich een tweestrijd af. Ik doel hier op de strijd tussen hart en hoofd. Anders omschreven tussen wat jijzelf graag wilt (hart) en wat anderen graag willen dat jij doet en waar je je op die manier in enige mate toe verplicht voelt. (hoofd). Nog anders bekeken: Tussen natuur (hart) en cultuur (hoofd). Je kunt het ook zien als: Tussen gevoel (hart) en verstand (hoofd).
Een boeiende strijd in zoverre dat je aan allebei vastgeketend zit. Je kunt geen van beide missen, want dan heb je geen leven meer. Met zijn drieën moet je het zien te rooien. Iedere dag, iedere beslissing weer. Heel veel mensen verdwalen op dit slagveld, omdat ze niet in de gaten hebben welke partijen hier tegenover elkaar staan. Men bemerkt en voelt de gevechten maar krijgt niet in kaart wat voor oorlog hier plaats vindt.
In het leven barst het van dit soort strubbelingen en verwikkelingen. Je moet meegaand zijn, maar niet te meegaand. Je moet positief zijn, maar niet te positief. Je moet verstandig zijn, maar niet te verstandig. etc. Het ligt altijd ergens tussenin. Het is van belang dat je eerst weet wat er tegenover elkaar staat en dan pas kun je de middenweg (die niet voor niets de gulden middenweg genoemd wordt) ontdekken en bewandelen.
Het typische van de huidige maatschappij is dat mensen die naar hun hart luisteren en gewoon doen wat hun gevoel hen ingeeft, zonder na te denken over de reacties van de omgeving, een stempel krijgen en een grote kans lopen om voor niet normaal of voor gek versleten te worden, of om zelfs in een gekkenhuis terecht te komen.
Mensen die echter alleen maar naar hun hoofd (verstand) luisteren -met andere woorden: doen wat ze geleerd is en doen wat er van ze verwacht wordt- nemen alle sleutelposities in bedrijven, de politiek en de wereldmaatschappij in. Ik geef toe, er zijn uitzonderingen, maar ik verzoek je die bij deze gedachtengang uit te zonderen.
Beiden -mensen die alleen naar hun hart of hoofd luisteren- zijn uitersten en beiden worden onredelijk onder- of overgewaardeerd. Mensen die teveel naar hun hart luisteren, worden niet voor vol aangezien en mensen die teveel naar hun verstand luisteren worden wel voor vol aangezien. Een vreemde ontwikkeling. Volgens mij ben je immers pas vol als je met beiden in balans leeft. Als je op één steunt, kom je nooit verder dan de helft.
Dat mensen die grotendeels met en naar hun hoofd leven zo gewaardeerd worden acht ik -terwelbeschouwd- een kwalijke ontwikkeling. Door naar je hoofd te luisteren en je hart te verwaarlozen, word je minder mens. Als je op een bepaald moment omringd bent door mensen die alleen maar hun verstand laten spreken, hoor je na verloop van tijd de stem van je hart niet meer. Je kunt je hart niet meer verstaan en laat haar aan haar lot over. En dat is gevaarlijk. Je kunt het dan rustig aan je hart overlaten om je daar -op waarschijnlijk pijnlijke wijze- op te wijzen. Het hart gaat zich roeren, voelt zich miskend, verzet zich, zoekt de aanval en bezorgt je vervolgens een hartaanval.
Op dat moment beseffen we waarschijnlijk ook pas de werkelijke strekking van de uitdrukking: van je hart (g)een moordkuil maken. Ik beweer niet dat alle hartaanvallen op die manier ontstaan, maar het zal in ieder geval vaker gebeuren dan gezond voor ons is.
Je ziet en hoort tegenwoordig steeds vaker dat mensen getroffen worden door een hartaanval. Dat percentage is de laatste jaren schrikbarend opgelopen. Dat loopt -afgezien van slechte eet- en leefgewoonten- volgens mij parallel met de ontwikkeling om het verstand boven het hart te prefereren. Weinig mensen willen dat echter inzien. Het is zelfs zo dat wij het hoofd verliezen door er teveel naar te luisteren. Dat klinkt misschien vreemd, maar het is net zo raar als het waar is.
Geestelijk leven zonder je hart is, net zoals in het lichamelijke, een onmogelijke opgave. Je leeft dan niet, maar wordt geleefd en voor je belevingswereld is het verschil tussen leven en geleefd worden, immens groot.
“Verstandige” mensen weten vaak niet beter, maar mensen met het hart op de juiste plaats, weten dat het iets gevoeliger ligt.
- ALLESKUNNER?
Als wij een ander mens iets zien doen of presteren, lijkt het ze vaak heel makkelijk af te gaan. Ik doel op die mensen die hun handen gewoon naar timmeren hebben staan of hun hoofd naar rekenen of hun lichaam naar atletiek. Het gaat dat soort mensen natuurlijk af. Dat is uiteraard niet vreemd, want de uitgevoerde activiteiten liggen in hun natuur.
Nu ligt in die vanzelfsprekendheid van die mensen ook het gevaar voor anderen. Het idee laat zich dan namelijk rijpen, dat als een ander iets zo makkelijk afgaat, het jou zelf ook wel zo soepel af zal gaan. Soms komt dit voor, maar dan hebben wij het over uitzonderingen. Meestal is dit echter een behoorlijke misvatting. Want als je die activiteiten probeert na te bootsen, blijkt er toch iets aan jouw manier van doen te mankeren. Het zal misschien lukken, maar het gemakkelijke van die ander ontbreekt.
Nu baart oefening kunst, maar oefening zonder talent, baart frustraties. Je raakt gefrustreerd omdat je niet in staat bent te presteren, wat die ander fluitend voor elkaar kreeg. Dan krijgt de vergelijking iets stuitends. Hij deed het tussen neus en lippen door en jij moest je hele hoofd erbij houden om er nog iets van te kunnen maken. Je begint dan aan jezelf te twijfelen en dreigt te gaan geloven dat je maar een minderwaardig schepsel bent in vergelijking met die ander. Voor je het weet loop je gefrusteerd rond.
Maar nu. Waar ligt dat aan? Aan die ander of aan jezelf? Aan jezelf dus. Je dacht dat je hetzelfde zou kunnen als een ander, maar dat lukt je niet. Je beseft op dat moment niet dat je op dat terrein klaarblijkelijk het talent ontbeert wat die ander overduidelijk wel bezit. Een misrekening dus. Je rekende teveel op jezelf en werd vervolgens op je nummer gezet. Een pijnlijke gewaarwording.
Het kan nog pijnlijker zijn als je je door een ander voelt uitgedaagd en vervolgens meent de handschoen op te moeten nemen. Wij kennen allemaal wel een verhaal van twee kennissen of vrienden die ooit in een dispuut terecht kwamen wie bijvoorbeeld het meeste alcohol kon verwerken. Zo’n discussie wordt meestal tussen lege glazen beslecht en eindigt voor allebei de drinkebroeders in een dubbele kater.
Ook hier geldt dat één van de twee of allebei niet in de gaten hadden dat ieder mens uniek is en dat de reden tot vergelijking in wezen zinloos is en ook nooit een nobele kan zijn. Ieder mens heeft namelijk zo zijn eigen kwaliteiten. En zelfs al liggen die op hetzelfde terrein, dan wil dat nog niet zeggen dat ze aan elkaar gewaagd zijn. Het valt namelijk ook nooit te meten.
Nemen we bijvoorbeeld de tennisspeler die nummer één van de wereld is en laten die uitkomen tegen de plaatselijke clubkampioen van Setten. De prof zal uiteraard winnen, maar het is echter mogelijk dat zijn amateuristische tegenstrever vanuit zijn mindere getraindheid en getalenteerdheid naar vermogen beter gespeeld heeft. Dat vind je absoluut niet in de stand terug.
De tennistelling is veel te gebrekkig en onvolledig om een werkelijke vergelijking te maken tussen twee tennissers. Je zou hun talenten, de beschikbare energie, de lichamelijke en geestelijke toestand en tal van andere zaken in de stand moeten verwerken wil je tot een eerlijk en werkelijk vergelijk komen. Los van het feit dat je dan meer tijd kwijt zou zijn aan een telling van de partij, dan aan de partij zelf, is het onmogelijk voor een mens om al dat soort factoren waar te nemen en in te schalen.
Wij zijn immers veel te armoedig uitgerust om dat te kunnen overzien. Verschillen tussen mensen laten zich -door mensen- nu eenmaal niet eerlijk onderzoeken en vergelijken, en daardoor krijg je die ook nooit overzichtelijk en betrouwbaar in kaart.
Het heeft daarom ook geen zin om te denken dat je alles kunt wat een ander ook kan. In werkelijkheid kun je namelijk alleen maar datgene wat je zelf kunt. Als een ander iets kan of doet, wil dat dus absoluut niet zeggen dat jij dat ook kunt. Net zoals jij beperkt bent in je doen en laten is ieder ander dat ook.
Hou je daarom maar op je eigen terrein en aan je eigen grenzen, dan ben je het beste af. Schoenmaker blijf bij je leest, zeiden ze vroeger al. En je bent een held op sokken, als je dat advies aan je laars lapt.
- LEVENSVERWACHTING.
Omdat wij mensen in wezen en in feite maar gebrekkige inwoners en medewerkers zijn van het grote paleis dat wij natuur noemen, zou onze houding in dit leven altijd een nederige moeten zijn. Vanuit die uitgangspositie zou je al het goede wat je toevalt verheugd moeten nemen en ook al het minder goede wat je treft bereid zijn te slikken. Met het goede hebben de meeste mensen niet veel problemen, maar juist het minder goede wil nog wel eens zwaar op de maag liggen.
De grens tussen het goede en minder goede wordt voor een aanzienlijk gedeelte door jezelf bepaald. Die wordt namelijk grotendeels bepaald door je verwachtingen. Hier doet een eeuwenoude wet opgeld, die zich echter niet in geld laat uitdrukken: hoe minder je verwacht des te meer krijg je. Je zou het in dit geval nog iets sterker uit kunnen drukken.
En wel zo dat als jij vindt dat het leven je tegenvalt, dat alleen maar ligt aan je te hoge verwachtingen. Het is begrijpelijk (zo wordt het je immers vaak voorgespiegeld) dat mensen er vanuit gaan dat alles in het leven van een leien dakje zal gaan. Die starthouding is echter niet bepaald reeël te noemen. Je mag het je toewensen dat alles goed gaat, maar je mag er niet op rekenen, want dan ben je gauw uitgeteld. Toch maakt bijna iedereen die fout. Ieder mens gaat er welhaast automatisch van uit dat ellende en tegenslag zijn deur voorbij zullen gaan. Maar dat denken de buren en de buren daarnaast ook weer.
Tegenslag zal toch ergens met de deur in huis moeten vallen en zo kan het gebeuren dat die bij mensen terecht komt, die daar dikwijls niet op beducht zijn. Des te groter is vaak dan ook de klap. Het geeft daarentegen geen pas om iedere dag angstig en bevend tegemoet te zien, vanwege de eventueel te verwachten tegenslagen, want dan leef je bijna als een illegaal. Nee, je moet er niet vanuit gaan dat tegenslag je zal treffen, maar je moet er rekening mee houden. Met voorspoed gaat hetzelfde verhaal op: hou er rekening mee, maar reken er niet op.
Een boekhoudkundige balans heeft een debet- en creditzijde. Je kunt erop rekenen dat je ze allebei zult moeten boeken, maar het is verstandiger om ze niet alvast in te gaan vullen. Dat invullen kun je het beste aan het leven zelf overlaten. Dat heeft daar al een behoorlijke ervaring mee. Veel meer als wij in ieder geval. Het enige wat wij misschien kunnen doen is een voorzichtige begroting maken. Het probleem daarbij is dat je niet terug kunt vallen op een oude begroting of die van een ander, want de eerste mogelijkheid (een vergelijkbaar vorig leven) bestaat niet en de tweede krijg je nooit in te zien.
Een ander probleem met het maken van een levensbegroting is dat je alleen maar en -heel voorzichtig- in grote lijnen kunt plannen. Het leven is in feite veel te groot en te wispelturig (vanuit ons oogpunt bekeken) om in een begroting te kunnen vangen. Daarom is het waarschijnlijk verstandiger om helemaal geen planning te maken en met alles van een gematigd optimistische toekomstverwachting uit te gaan.
Als wij mensen voor hetgeen wij van het leven verwachten voor onszelf een cijfer moeten geven, zijn we gauw geneigd de hand over ons hart te strijken en onszelf van een dikke voldoende te voorzien. Laten we voor dit voorbeeld een acht nemen. Stel je nu voor dat je aan het eind van je leven op een zeven uitkomt. Dan is er geen enkele andere conclusie mogelijk, dan dat het je tegenvalt. Je had er meer van verwacht en blijft toch een beetje met een katterig gevoel terugkijken.
Laten we er nu eens van uitgaan dat je voor jezelf iets magerder ingezet had en voldaan was geweest met een kleine voldoende: een zes. Aan het eind van het leven dat eindigde met een zeven was je dan zeer tevreden geweest. Je zult dan terugkijken op een rijk leven. Nu zit het frappante dus hierin dat de manier waarop je eindigt, bepaald wordt door de verwachting waarop je je leven inging. Het leven zelf is identiek geweest. Je verwachting bepaalt dus of je aan het eind van de rit tevreden of ontevreden bent.
Nu is het vervolgens verleidelijk om er na veel vijfen en zessen en plussen en minnen van uit te gaan, dat je een dikke onvoldoende zult scoren, omdat het je dan bijna altijd mee zal vallen. Maar die uitgangspositie is mij toch iets te mager gekozen. Je gaat toch niet uit van een onvoldoende leven? Nee, ik vind dat je minimaal van een voldoende uit moet gaan. Je mag heus wel wat verwachten van het leven, maar niet teveel.
Hij die zich immers rijk denkt te kunnen rekenen, moet altijd eerst nog rijk zien te worden. Je kunt je dan ook maar beter zo rijk rekenen, dat je er net rond van kunt komen. Meer hoef je eigenlijk ook niet te verwachten. Als je het rond kunt breien is dat mooi en als dat breistukje je dan past, is dat toch meer dan voldoende?
- TWIJFELS.
Twijfelen is nuttig. Ze laat je een situatie goed in ogenschouw nemen en kan daardoor een middel zijn om een doel te bereiken. Meer moet je er echter ook niet van maken. Sommige mensen maken de twijfel aan iets anders zo groot, dat ze zelfs aan zichzelf gaan twijfelen. En dat is het laatste wat je zou moeten doen.
Twijfels stellen je in de gelegenheid om, als je ze in de hand weet te houden, weloverwogen te kiezen. Ze behoeden je voor ondoordachte stappen in een eventueel verkeerde richting. Het is dus in feite een groot bezit als je het vermogen hebt om te twijfelen. Daaraan zou ik in ieder geval niet twijfelen.
We kennen allemaal wel iemand in onze omgeving die één en al zelfvertrouwen uitstraalt en nooit lijkt te twijfelen. Vaak benijden we zo iemand, maar daartoe is meestal geen reden. Ieder mens hoort namelijk te twijfelen. Moeder natuur heeft de mogelijkheid tot twijfelen niet voor niets ingebouwd. Het is zelfs te beschouwen als een uiting van intelligentie en zelfbeschikking, omdat je door het bestaan ervan er op gewezen wordt dat je zelf mag kiezen.
Twijfels geven -paradoxaal genoeg- je de zekerheid dat je leeft, bestaat en ook in staat bent zelf te kiezen en te leven op de manier die -binnen de grenzen van jouw mogelijkheden- jou het beste lijkt. Misschien ligt in die mogelijkheid tot twijfelen ook de reden dat we hier zijn en wellicht gebeuren er daarom ook zoveel onvoorziene dingen die ons aan het twijfelen brengen.
Door die onvoorspelbaarheid van het leven kunnen we ons -ik kom hierbij terug op de jalouzie die je zou kunnen hebben op iemand die altijd zeker van zichzelf en zijn zaken lijkt te zijn- in dit leven op geen enkele zekerheid beroepen. Zelfs de zekerheid van de dood is maar betrekkelijk. Je weet het immers pas zeker als het werkelijk met je gebeurt.
Hij die dus zeker van zichzelf en zijn leven denkt te zijn, kan echter alleen maar zeker zijn van het feit dat hij zichzelf voor de gek houdt. Een leven zonder twijfel is geen leven. Er is dan ook geen enkele reden om twijfels te ontlopen. Je moet ze met open ogen en armen tegemoet treden. Want jezelf leren kennen en ontwikkelen begint met twijfelen. Iedere dag een uurtje twijfelen over het leven in het algemeen en jouw leven in het bijzonder kan een zeer waardevol iets zijn.
Je zou je bijvoorbeeld steeds weer af moeten vragen of dit het leven is wat je wilt leiden. Hoe meer je hebt getwijfeld, des te breder is het draagvlak waarop je je beslissing fundeert. Dit doet echter niet altijd opgeld. Wie steeds en overal aan twijfelt, is net zo min te benijden als iemand die nooit twijfelt. Teveel twijfel leidt tot chronische besluiteloosheid en dat resulteert vaak in een angstig en bouwvallig leven.
Wij verwarren vaak twijfels over iets met twijfels over onszelf. Als je die twee door elkaar haalt, twijfel je aan het verkeerde. Jijzelf bent het fundament, dat ligt op dat moment vast. Daar moet je op kunnen bouwen. Maar je mag verder twijfelen over alles. Om de vergelijking van een fundament van een huis door te voeren: bijvoorbeeld over de kleur van het behang, het design van de tegels, parket of tapijt, etc.
Hoe meer je daar over twijfelt (dus nadenkt en bij jezelf te rade gaat), des te beter zal het huis je bevallen. En als je na een paar jaar toch iets anders wilt, kun je het altijd weer verbouwen of anders inrichten. Daarom moet je ook blijven twijfelen. Jij verandert, de wereld verandert en dat roept twijfels bij je op. Die zijn gezond. Die kun je zien als prikkels tot heroverwegingen en daardoor als directe aanleiding tot verandering of bevestiging. Gebruik ze om je af te vragen of je weer iets moet verbouwen of veranderen.
Eigen haard is goud waard, als je tenminste blijft stoken met twijfels. Warm je handen aan die twijfels en koester je leven eraan, dan zit je er warmpjes bij. Zie het als een waakvlam die je waakzaam houdt en toch het vuur van je leven brandend houdt. Maar kom niet te dichtbij, want dan zetten twijfels je in vuur en vlam op een manier die twijfelachtig te noemen is.
- VREDE.
Een oorlog is een verschrikkelijk iets. Degenen die er ooit een meegemaakt hebben zullen dat bevestigen. Zij die zoiets nooit aan de lijve ondervonden hebben kunnen zich er wel iets bij voorstellen, maar al zal hun voorstelling nooit de realiteit benaderen, ook deze categorie weet dat een oorlog iets afschrikwekkends is. Iets wat je het liefste zou willen vermijden.
Oorlog tussen landen is erg, maar oorlog tussen personen neemt voor de betrokkenen grotere vormen aan, omdat je er zonder uitzondering en heel direct mee geconfronteerd wordt. Als Nederland met bijvoorbeeld Oostenrijk in oorlog is, is er een kans dat jij en je familie er ongeschonden doorheen komen. Als je echter persoonlijk op voet van oorlog komt te verkeren met buren, collega’s, familie, vrienden of kennissen is die kans om er zonder kleerscheuren uit te komen, beduidend kleiner.
Angst voor een “persoonlijke “oorlog zit derhalve bij iedereen diep geworteld en dat is begrijpelijk. Niemand -in zijn hart gekeken- wil oorlog en toch komt het er vaak van. Een slecht teken? Ik denk het niet altijd. Soms moet je naar het middel van de oorlog grijpen om je nog verstaanbaar te kunnen maken. Er rest dan geen andere keus. Als je belangen immers met voeten getreden worden en er wordt niet naar je geluisterd, rest er weinig anders dan in het geweer komen.
Je kunt in het andere geval over je laten lopen en als je dan accepteert wat er nog voor je rest, is dat te beschouwen als een vorm van vrede. Maar wel een vorm van afgedwongen vrede. Je kunt in zo’n geval beter spreken van een stille oorlog. Het is namelijk nog niet uitgevochten. Je houdt dan iets van: “Had ik maar”.
Als je je tot het uiterste verzet hebt en je zou gedeeltelijk ten onder zijn gegaan, kun je de ontstane situatie makkelijker accepteren. Dat gaat moeilijker als je je niet verweerd hebt. Dan blijft er iets smeulen. Je kunt ook beter in het heetst van de strijd je vuur verliezen, dan dat je zonder te vechten met een waakvlam blijft zitten. Dat vlammetje krijg je dan niet meer, of na enige tijd moeizaam, uit.
Uit angst voor dit oorlog is het -mijns inziens- gedeeltelijk te verklaren waarom sommige mensen onderling heel veel pikken. Uit angst voor oorlog en om de goede vrede te bewaren. Die vrede is echter helemaal niet goed te noemen. Mensen zijn vaak bang om een ander te kwetsen of voor het hoofd te stoten en pikken daardoor meer dan ze eigenlijk kunnen verdragen. Ze proeven niet eerst of iets ze wel smaakt, maar slikken gewoon alles.
Het is een bekend verschijnsel dat mensen die altijd alles pikken na verloop van tijd met zichzelf in de problemen komen. Zo iemand komt niet voor zijn belangen op, laat alles aan een ander over en komt op termijn in de verdrukking. Hij die zich immers voor een ander in allerlei bochten wringt, komt met zichzelf in de knoop. Dat is een ingrijpender en langduriger proces dan dat je iedere keer als er iets gebeurt of dreigt te gebeuren wat je niet zint, meteen reageert en duidelijk probeert te maken wat je wel of niet wilt.
Soms kan een oorlog zelfs heel verhelderend en opklarend werken. We zien dat in de natuur ook terug. Als het erg benauwd en drukkend weer is, moet er een flinke onweersbui aan te pas komen om de boel weer wat op te laten klaren. De bui zelf gaat meestal met donders geweld en bliksems geflits te werk. Op dat moment lijkt de natuur te vergaan. Ook deze bui komt echter aan zijn eind en na zo’n opklarende bui is het altijd bijzonder aangenaam om buiten te vertoeven. Je krijgt meer lucht en ruimte om adem te halen en kunt er weer beter tegen.
Zo kun je oorlogen ook bekijken. Af en toe moet je van je af bijten om zelf niet verslonden te worden. Dat lijkt mij gezond. Ik geloof ook niet dat het mogelijk is om met iemand anders in een zodanige verhouding terecht te komen dat altijd alles gladjes en zonder persoonlijke strubbelingen verloopt.
Bijna iedereen kent wel van die stelletjes die beweren dat ze nooit ruzie hebben en dat het zo geweldig gaat in hun relatie. (“we draaien zo lekker, joh”.) Ik durf daar vraagtekens bij te zetten.
Oorlog kan ook een vorm van grenzen zoeken zijn. Hoe ver kan ik gaan? Het schept duidelijkheid. En als dat zoeken met schermutselingen gepaard gaat hoeft dat absoluut geen probleem te zijn. Af en toe kan het zelfs prettig zijn om gedonder in de glazen te hebben, omdat het daarna ook weer zo lekker afdrinkt.
Je moet het durven om oorlog te voeren, maar het is de moeite waard. Na een oorlog weet je ook weer wat vrede is. Vrede krijgt per slot van rekening weer zijn waarde, als er een oorlog geweest is. En een vrede is pas werkelijk een vrede als jij er zelf ook echt vrede mee hebt.
- MOEILIJKHEDEN/MOGELIJKHEDEN.
Ieder mens komt in zijn leven meerdere malen in de problemen. Het leven staat er bekend om. Wat echter minder bekend is, is dat uit moeilijkheden vaak mogelijkheden ontstaan waar je anders nooit aan toegekomen zou zijn. Heel vaak blijken – achteraf- moeilijkheden de directe oorzaak te zijn van wijzigingen die later in het totale perspectief van je leven gezien, een zegen voor je zijn geweest. Ik weet het. Het gaat niet altijd op, maar wel vaker dan menigeen denkt te weten.
Het probleem met moeilijkheden is vaak -ik schreef het al- dat je pas achteraf kunt beoordelen of het een plaagstootje of een aai van moeder natuur was. Als je midden in de moeilijkheden zit, ontbreekt uiteraard dat perspectief. Daarom is het zo belangrijk om als je in de ellende zit, niet naar de misere zelf maar naar de gevolgen te kijken. Kijk naar al de nieuwe mogelijkheden, die deze moeilijkheden voor je ontsluiten. Concentreer je daarop en probeer daar het positieve van in te zien. Dan kijk je door de moeilijkheden heen in plaats van er tegen op te kijken.
In het leven doemen namelijk altijd weer nieuwe mogelijkheden op. Dat is één van de prachtige dingen van het leven. Je kunt -als je wilt- altijd weer verder. Ik beweer niet dat het altijd een verbetering betreft, maar als je bereid bent bepaalde zaken te accepteren kun je altijd verder. Er komt geen eind aan. Ja, met de dood, maar wie weet welke mogelijkheden de dood weer opent?
Vergelijk een probleem maar eens met je pols. Als je verder kijkt kun je vijf nieuwe wegen (vingers) inslaan. Als je voor één bepaalde vinger kiest, wordt dat weer een pols met daarachter weer nieuwe mogelijkheden. Zo gaat het maar door. Tenminste als je het zo wilt zien. Er zijn in dit perspectief gezien heel veel mensen die over een verstuikte pols blijven jammeren, terwijl ze de vingers nog prima kunnen gebruiken. Kijk in zo’n geval niet alleen verder dan je neus, maar ook verder dan je pols lang is. Vanuit dat oogpunt gezien krijgt de term: “polshoogte nemen”, ook een heel andere betekenis. Tevens kunnen wij dan de uitdrukking: “de vinger aan de pols houden” anders interpreteren.
Uit moeilijkheden onstaan dus altijd mogelijkheden. Laten we dit voorbeeld eens ter hand nemen: Een fabriek moet vanwege marktontwikkelingen een bepaalde afdeling sluiten. We nemen iemand van die afdeling. Bijvoorbeeld de assistent-chef. Hij heeft net een huis gekocht, heeft twee kinderen en beweegt zich mede voort door middel van een leuke middenklasse auto. Hij had het plaatje waar hij al jaren naar gestreefd had net rond. Dacht hij.
Nu kan hij dagen, weken en maanden gaan lopen jammeren over het feit waarom juist hij en zijn afdeling moesten sneuvelen. Maar die vraag is niet aan de orde. De vragen die wel aan de orde zijn, stelt hij zichzelf niet. Hij kan beter al zijn energie besteden aan het zoeken van een nieuwe werkkring (nieuwe mogelijkheden). Al moet hij daarvoor verhuizen (nieuwe mogelijkheden). Al moet hij zich er voor om laten scholen (nieuwe mogelijkheden).
Er gaat, als onze ex-assistent-chef goed kijkt, een hele nieuwe wereld met ongekende mogelijkheden voor hem open. Niet alleen voor hem, maar ook voor zijn vrouw: nieuw huis?, nieuwe plaats?, andere buren?, etc.. Ook voor de twee kinderen dienen zich nieuwe perspectiefen aan: andere school?, andere buurkinderen?, andere vriendjes?, etc..
Het kan een verrijking van het leven van de ongelukkig ontslagene en zijn gezin zijn. Als hij tenminste in wil zien dat hij zijn oude leven los moet laten, om er een ander (dat hoeft niet slechter te zijn, want dit kan een heel goed moment voor bezinning en her-oriëntatie zijn) voor terug te krijgen. Als hij daarentegen krampachtig vast houdt aan zijn oude leven, heeft hij op den duur geen leven meer en niets meer om handen.
Je kunt het met moeilijkheden zo zien: De voorzienigheid klopt op je deur en “vertelt” je dat er dingen zullen moeten veranderen. Nu mag je kiezen. Of je gooit de kop in de wind en bevecht de moeilijkheden, of je kiest voor de wind in de rug en bekijkt de mogelijkheden. Je kijkt niet terug in de tijd, maar voor je naar de tijd die nog komt. Het lijkt mij duidelijk welke weg te verkiezen is.
Bij deze materie komt nog iets naar voren wat niet onvermeld mag blijven. Hoe meer je immers gehecht bent aan je huidige leven, des te moeilijker zal het je vallen om te accepteren, dat je dat kwijt zult raken. Het lijkt mij verstandiger om je nu al enigszins te onthechten van je tegenwoordige leven, omdat je dan twee dingen bereikt.
Dat leven zal je -door je hechtingsdrang- minder gaan benauwen en als er ooit iets gebeurt waardoor je er afstand van moet doen zal het minder pijnlijk voor je zijn. Ook met dit verschijnsel geldt dat hoe meer afstand je zelf wenst te bewaren, des te minder kan het zelf afstand van je nemen. Je wordt dus minder afhankelijk van iets wat buiten je ligt en je zult je daardoor ook vrijer kunnen voelen.
Het is uiteraard niet zo dat je altijd maar, zogauw er iets gebeurt, meteen op moet geven waar je je mee omringd hebt. Het lijkt mij verstandiger om er in ieder geval voor te vechten zodat je dat kunt proberen te behouden. Maar dat vechten kun je beter wel met open vizier doen. Zodat, als je ziet dat het geen zin heeft om door te vechten, je je energie besteedt aan het onderzoeken van de mogelijkheden. Dat is niet makkelijk, maar minder moeilijk dan te proberen het onmogelijke mogelijk te maken.
- GELUKKIG.
Geluk is een ongrijpbaar iets. Gelukkig maar, want anders zouden we het ook niet meer als geluk ervaren. Toch verkeren heel veel mensen in de veronderstelling dat geluk iets grijpbaars, iets tastbaars is. Vaak duurt het een leven lang voordat mensen in de gaten hebben dat geluk niet in het tastbare -materiële- zit. Het is in het licht gezien van al die zoekende en smachtende mensen, bijna komisch om op te merken dat zij al die tijd het geluk al in zich droegen zonder het zelf in de gaten te hebben.
In ieder mens zit geluk standaard ingebouwd. Je hoeft het ook niet te zoeken, maar het alleen maar te ontdekken. Wie daarentegen op een andere plek zoekt dan in zichzelf, zoekt op de verkeerde plaats en zal het zo ook nooit tevoorschijn kunnen toveren. Geluk is namelijk alleen maar te vinden in jezelf en hoeft dus alleen maar ont-dekt te worden.
Om deze materie enigszins te kunnen doorgronden moeten we eerst eens proberen te bepalen wat geluk eigenlijk is. Geluk is niet een constante gesteldheid waarin we ons vervuld en voldaan voelen. Geluk is ook niet de vervulling van al je wensen. Die toestand betekent zeker niet dat je je gelukkig zult voelen.
Geluk zit ook niet in een huis, een mooie vrouw, een mooie auto, etc.. Geluk zit ook niet in het bezitten van een grote som geld. Ook dat is geen garantie om je gelukkig te voelen. Iemand die dat soort vormen van pseudo-geluk nastreeft, streeft niet naar geluk, maar naar bevrediging van zijn behoeften. Het verschil tusen die twee is zo groot dat je er ongelukkig van zou kunnen worden.
Ik denk dat wij het begrip geluk enigszins overschatten. We verwachten er teveel van en worden daardoor in ons streven om gelukkig te worden juist ongelukkig. Geluk in het leven is -volgens mij- de reden waarom je niet dood wilt. Als je deze redenering omdraait, betekent het dat degene die nog niet dood wil, gelukkig moet zijn.
De reden of redenen dat je nog niet wilt overgaan naar het hiernamaals bepalen het fundament van je geluk. Wat die redenen om niet dood te willen ook zijn: je partner, kinderen, kleinkinderen, vrienden, hobby’s, etc.. Ze schenken je schijnbaar zoveel genoegen dat je ze niet wilt missen. Dat is geluk. Je bent pas echt ongelukkig als je dood wilt, omdat je geen enkele reden meer ziet om je verblijf hier te verlengen.
Deze redenering leert ons dat een heleboel mensen gelukkig zijn, zonder dat ze het zelf in de gaten hebben. Ze herkennen het domweg niet. Het is een schrijnende constatering, maar de waarheid biedt weinig mogelijkheden om het wat af te zwakken: De meeste mensen zijn gelukkig zonder dat ze zich gelukkig voelen. Ze kijken te ver van zich af en zien dan niet dat het al voor hun voeten ligt: een kortzichtig staaltje verkijkerij.
Het valt in enige mate te vergelijken met het verschijnsel dat we als we iets eenmaal bezitten het zijn waarde voor ons na verloop van tijd enigszins verliest. We weten allemaal dat pas als we iets kwijtraken, we beseffen wat het voor waarde voor ons had. We missen klaarblijkelijk het vermogen om iets op waarde te kunnen blijven schatten. We herkennen de blijvende waarde niet en moeten het verliezen om tot die constatering te kunnen komen. Zo is het met geluk ook. Het is in ons, maar we zien het niet. Ja, soms achteraf. Maar zelden op het moment zelf.
Dat komt omdat we blijven zoeken naar een hogere vorm van geluk, die echter niet bestaat. Er bestaat wel iets wat daar op lijkt, maar dat zou ik willen rangschikken onder de noemer: extase. Het kenmerk van deze gemoedstoestand is dat het altijd een zeer korte tijdsspanne betreft. Wij zoeken iets groters, iets bestendigers, alleen kunnen we het nooit vangen omdat het zich niet laat vangen.
We jagen achter iets aan, wat echter al direct met ons verbonden is. We rennen in de rondte zonder te ontdekken dat waar wij achter aan zitten, al in ons is. Net zoals een kat achter zijn eigen staart aan kan zitten. Hij zal hem echter nooit totaal te pakken krijgen. Hij heeft dan alleen maar zichzelf te pakken.
Een kat zou er een kater van krijgen en een mens krijgt er geen leven van. Hij heeft wel een leven, maar hij heeft het zelf niet in de gaten. En dat is de zwaarste vorm van ongeluk: geluk dat niet als geluk herkend wordt.
- HEDEN.
Tijd is een raar begrip. Het besef van tijd is nog vreemder. Dat biedt namelijk de mens de mogelijkheid om zich geestelijk in de tijd te verplaatsen. De mens is daardoor in staat om uit te zien naar plezierige dingen die nog komen en terug te zien op dingen die tot volle tevredenheid zijn verlopen.
Een prachtige eigenschap dus, dat vermogen om in de tijd te kijken, zou je denken. Nee, toch niet helemaal, omdat we het vermogen ook gebruiken bij minder plezierige zaken. We lijden bijvoorbeeld daardoor nog steeds onder iets wat jaren geleden ons overkomen is en zijn soms weken van tevoren bang voor een bezoek aan de tandarts.
Niet alleen met negatief getinte zaken is dit een gedeeltelijk te betreuren vermogen. Ook met positievere zaken, kan het je behoorlijk in de weg zitten. Iemand die bijvoorbeeld na één uitzonderlijke prestatie, de rest van zijn leven blijft mijmeren over dat moment en verder tot niets meer komt. Of degene die er altijd van uitgaat dat zijn tijd nog komt en zo steeds, in afwachting van betere tijden, niet veel presteert.
Ook in deze -optisch dus positieve- gevallen, zit dat vermogen om achter- of vooruit te kijken in de tijd, ons in de weg. Het beneemt ons het zicht op het moment zelf. Ons uitzicht wordt op die manier beperkt door dingen die al gebeurd zijn, of nog moeten gebeuren en dat is een gevaarlijk soort gezichtsbedrog, waarbij je makkelijk je hoofd verliest.
Als je teveel aan geestelijk reizen in de tijd toegeeft, leef je niet meer in het heden, maar in andere werelden: verleden of toekomst. Je bent dan niet meer van deze tijd. Je lichaam bevindt zich wel in het heden, maar je geest vertoeft elders. Deze scheiding heeft grotere consequenties dan je vaak zelf kunt overzien.
Je raakt innerlijk verscheurd. Je lichaam zit immers vast in deze tijd, daar valt niet mee te sjoemelen. Je geest echter bezit het vermogen om ook elders rond te waren. Als dit een korte tijdsspanne betreft is dat nog te overzien. Het wordt echter erger als je het heden probeert te ontkennen, door alleen maar in het verleden of in de toekomst bezig te zijn. Het maakt dan geen verschil of je uitziet naar, of bang bent voor de toekomst, of dat je dweept of huivert over je verleden. Je bent dan niet compleet en ervaart je leven maar gedeeltelijk.
Het leven zoals wij dat kennen speelt zich af in één dimensie en dat is het heden. Je lichaam herinnert je ieder moment aan dat gegeven. Je bent nu eenmaal gebonden aan je lichaam en dat is niet voor niets zo in elkaar gezet. Wie zich daarom teveel bezig houdt met het verleden of de toekomst, ontkent zijn eigen -huidige- bestaan, terwijl in het heden alles te beleven is, wat er te beleven valt. Al het andere is surrogaat.
Je leeft dan in een schijnwereld die jezelf creëert, maar die niet echt bestaat. Het is misschien makkelijker om in die wereld te vertoeven omdat je invloed erop in verhouding met het echte leven groot is, maar het is niet bepaald realistisch. Het is een vorm van tweedehands leven. Je zou het ook kunnen zien als een mogelijke wereld. Een wereld zoals het zou kunnen zijn. Je zou dagdromen terwijl de nacht voor die activiteit veel geschikter is want dan heeft de gemiddelde sterveling toch weinig om handen.
Als je in het heden leeft, heb je overdag je handen al vol genoeg aan het leven en als je op een realistische manier in het leven staat en alles wat er om je heen gebeurt op een positieve manier tegemoet kunt treden, heb je helemaal geen behoefte aan dagdromen over toekomst of verleden. Je heden is dan vol genoeg om je voldaan te voelen.
Het is beter om het verleden te laten rusten en de toekomst met rust te laten. Houd je maar bij het heden. Daar kun je het leven beleven. Je moet het leven niet herkauwen of voorproeven. Je moet het nemen zoals het opgediend wordt.
Leef smakelijk.
- HOOP.
Als in het leven veel dingen achter elkaar tegen zitten en de ene narigheid de andere lijkt aan te trekken, is het niet verwonderlijk, dat mensen diep in de put komen te zitten. Dat diep in de put zitten is echter op zich niet dramatisch. Het neemt wel dramatische afmetingen aan, als je je erbij neerlegt en niet meer omhoog durft te kijken en alle hoop opgeeft. Als je zover van de weg raakt, is het inderdaad dramatisch, maar dat wil absoluut niet zeggen dat je ook reddeloos verloren bent.
Zo ver hoeft het niet te komen. Maar dan wordt er wel een bepaalde instelling van je verwacht. Deze mentaliteit ontstaat onder andere uit het doordrongen zijn van twee wetmatigheden, namelijk dat aan alles een eind komt en dat hoop doet leven.
De eerste waarheid slaat op het feit dat alles in dit leven een keer eindigt. Ziekte met herstel, of met de dood (of dit te betreuren is hangt zeer van de omstandigheden af). Onbegrip door begrip. Ruzie met verzoening of separatie. Aan alles waar je in dit leven mee geconfronteerd kunt worden komt een eind. Dus hoe diep en ver je ook gezonken bent, je hebt de absolute zekerheid dat er een keer een eind aan komt.
De tweede waarheid is dat hoop doet leven. Je kunt hoop enigszins vergelijken met licht. Zonder licht zou er geen menselijk leven mogelijk zijn. Zonder hoop eveneens. De mens verkeert in de gelukkige omstandigheid dat hij het vermogen bezit om te hopen op een betere tijd. Ik geloof niet dat dieren of planten die mogelijkheid in zich dragen. Heel veel mensen zouden anders absoluut niet de kracht op kunnen brengen om in bepaalde tijden zich staande te houden, als ze niet hoop op betere tijden koesterden.
Volgens mij is er ook altijd een reden om te blijven hopen. De natuur is immers één golvende beweging. Na eb komt vloed. Na dag komt nacht. Na duister komt licht. Met deze laatste opmerking kom ik weer bij hoop terecht. Ik schreef al: licht is te vergelijken met hoop. Als het ’s nachts donker is, weten we dat het ’s morgens weer licht wordt. Dat is voor ons niet iets wat ook maar enige ruimte voor twijfel overlaat. Het is namelijk nog nooit voorgekomen dat het donker bleef.
Dezelfde zekerheid kunnen we verwachten bij tegenslag of laten we zeggen tegenwind. De wind draait een keer en dan heb je hem mee. Nu wil het voorbeeld van de wind de meeste mensen nog wel aanspreken. Het is echter belangrijker dat je je realiseert dat hetzelfde principe ook geldt voor het in de put zitten. Je komt er een keer uit en je draait dan vanzelf bij.
De eerste wet (aan alles komt een eind) bewijst dat. De tweede wet (hoop doet leven), kan dat verblijf onder in die put lichter maken. Door te blijven hopen en vertrouwen op betere tijden kan hoop lichtgevend werken. Hoop kan daardoor je situatie verlichten. En daarbij geldt in de regel dat hoe sterker je hoop is, des te lichter zul je het verblijf in die put ondergaan.
Je zou het ook kunnen vergelijken met het reizen door een tunnel. Een eigenschap van een tunnel is dat hij ergens eindigt. Je weet vaak alleen niet als je er in zit, hoe lang hij nog is. Maar als je alles op een rijtje hebt, weet je dat hij een keer eindigt. Je weet dan ook, dat je vooruit moet en vooruit moet blijven kijken, want daar is het eind van de tunnel.
Als je stil blijft zitten wachten tot het eind van de tunnel bij jou komt kun je wachten tot je een ons weegt. Dat gewicht zul je echter nooit bereiken want dan ben je allang de pijp uit. Alleen niet op de manier waarop je gedacht had die tunnel of pijp te kunnen verlaten.
Hoe je het ook wendt of keert: Je moet in dit leven altijd verder. Hoe donker het er ook voor je uitziet. Je kunt het leven dan ook maar beter beschouwen als een vorm van reizen. Van je geboorte naar je dood. En iedere stap is er één dichter bij je dood en verder van je geboorte af. Zo moet je een keten van tegenslagen ook proberen te zien: als een tunnel, een obstakel wat genomen moet worden. En als je die tunnel weer uitkomt, ben je weer dichter bij je bestemming gekomen. Je zult dankzij die ervaring ook in staat zijn een eventuele volgende tunnel makkelijker door te komen, omdat je nu uit ervaring weet dat er een eind aan komt.
Het doorworstelen van een tunnel kan je op die manier louteren. De rest van je reis hier op aarde, kun je er plezier en profijt van hebben. Het is echter, om die trip door die tunnel fatsoenlijk door te maken, wel belangrijk dat je jezelf de juiste instelling eigen maakt. Je mag er dus zeker van zijn dat alles eindigt en dat er altijd een reden is voor hoop. Wanhopen zou je welbeschouwd dan ook beter kunnen betitelen als waanhopen.
- WANTROUWEN.
De mens is uitgerust met het vermogen tot onderzoeken. Een bijzonder waardevolle gave van moeder natuur. Deze eigenschap kan je voor veel ellende behoeden. Bij verkeerd gebruik echter kan hij je ook veel ellende bezorgen.
Hoe kan ik zo’n prachtige eigenschap ooit verkeerd gebruiken?, zul je jezelf na het lezen van bovenstaande afvragen. Heel simpel. Door het te activeren op het moment dat er niets onderzocht hoeft te worden. Wij denken vaak iets te moeten onderzoeken, maar dan blijkt er niets te vinden te zijn. Een frustrerende eigenschap is het dan, die je zelfs aan jezelf kan laten twijfelen. Je denkt nu: “ja, maar, dat slaat niet op mij”. Dan heb ik een verrassende mededeling voor je. Het slaat op iedereen. Ik kom hier zo nog op terug.
In de huidige maatschappij is er veel loos. Haat, nijd, jalouzie, criminaliteit, armoede, spanningen, frustraties en ergernis zijn bepalende elementen geworden in onze maatschappij. Al deze facetten voeden één ding: wantrouwen. Achter iedere boom en om iedere hoek dreigt onraad. Niemand en niets lijkt meer te vertrouwen.
Vroeger lagen een heleboel dingen duidelijk. Kerk, gezin, familieverhoudingen, burenverplichtingen, etc. werken bepaald verstarrend, maar zorgen wel voor een grote mate van vertrouwen onder de mensen. De zaken lagen duidelijk en je wist meestal wel waar je aan toe was. Ik wil die tijd niet romantiseren, maar probeer alleen maar duidelijk te maken dat er toen meer rust en onderling vertrouwen was onder de mensen. Sociale controle en saamhorigheid waren in die tijd normaal.
Tegenwoordig is alles onduidelijker geworden. Dingen die vroeger vastlagen, dobberen nu maar wat met de heersende winden mee. Het gezag wankelt en normen vervagen. Met mate en in het juiste tempo uitgevoerd zou dat een zegen kunnen zijn voor de mensheid. Zo ontwikkelen we ons immers steeds verder. Maar het lijkt alsof we iets te ver doorgeslagen zijn. Het gaat te hard en slaat aldus door naar de verkeerde kant.
We hebben al doende onze oude schoenen al weggegooid, maar we zijn nog niet voldoende gegroeid om de nieuwe te laten passen. Ze zitten ons te ruim en met die ruimte weten we ons geen raad en daardoor bezorgt die ruimte ons veel onzekerheid en onduidelijkheid. De wereld om ons heen vertroebelt en in troebel water is het -zoals algemeen bekend- altijd goed vissen. Je zou de huidige maatschappij dan ook kunnen vergelijken met troebel water. Veel onprettige kanten van mensen komen in dit soort omstandigheden naar boven en buiten. Dat heeft op termijn vaak een rampzalig effect. Het slechte gedrag wordt op een bepaald moment de norm, waarnaar iedereen gaat leven.
Voorbeelden: Vroeger remde je voluit om nog voor het oranje licht te kunnen stoppen. Tegenwoordig rijden we fluitend door rood. Vroeger had je ontzag en respect voor je ouders en grootouders. Tegenwoordig wordt er de draak met ze gestoken op een manier, waarop een middeleeuwse ridder jaloers zou zijn. Als iemand vroeger op straat in elkaar geslagen werd, sprong je voor zover je dat binnen je mogelijkheden lag bij of haalde je hulp. Tegenwoordig loop je er schichtig langs en laat menigeen het slachtoffer op een nonchalante manier aan zijn lot over. Zo zal een ieder ongetwijfeld nog meer voorbeelden weten te bedenken, die op deze verloedering wijzen.
Het heeft zich misschien in onze ogen de laatste tientallen jaren zeer geleidelijk voltrokken en lijkt maar iets uit de hand gelopen, maar weidser beschouwd is het veel te hard gegaan en zelfs behoorlijk uit de klauwen gelopen. Als gevolg van deze kwalijke ontwikkelingen is de teneur in de huidige maatschappij wantrouwen en nog eens wantrouwen.
Daarom is het ook enigszins te begrijpen dat mensen tegenwoordig overal wat achter zoeken. Ieder mens is immers beducht op zaken die hem en zijn verworvenheden kunnen bedreigen. Heel vaak zijn we er ons niet eens meer van bewust, dat we doordrenkt van wantrouwen leven. Het is al zo ver gekomen dat het een onderdeel is geworden van onze houding.
Daarom durfde ik hierboven ook te beweren dat ieder mens meer onderzoekt dan goed voor hem is. Ook hierin zijn we te ver doorgeslagen. Een geringe mate van gereserveerdheid, noem het een lichte neiging tot wantrouwen, kan een soort veiligheidsklep zijn, die je voor narigheid kan behoeden. Je moet die klep echter niet te star hanteren en constant dicht houden, want dan krijg je hem op een bepaald moment niet meer open en sluit je jezelf op die manier af voor ieder ander.
En als je het stadium hebt bereikt dat je alles en iedereen begint te wantrouwen, dan word je angstig. En angst is een slechte raadgever en niet bepaald een goede rustgever. Je hebt geen leven meer als angst en wantrouwen jouw leven beheersen. Volgens mij is dat ook niet nodig.
Ik ga er zelfs van uit dat de maatschappij zich weer in de richting van vroegere waarden zal ontwikkelen. Er zijn al enige tekenen (anno 2002) die daarop wijzen. Het is volgens mij ook niet waar dat tegenwoordig niemand meer te vertrouwen zou zijn. Dat weiger ik te geloven. Het is wel moeilijker geworden om mensen te kunnen vertrouwen, maar dat is heel iets anders.
Je kunt er in ieder geval mee beginnen om niet overal wat achter te zoeken. Een vaak frustrerende en nutteloze bezigheid. Want wie te diep graaft, komt immers weer aan de oppervlakte uit. Ik vind dat je mensen eerst het voordeel van de twijfel moet gunnen, voordat je ze het nadeel van het wantrouwen presenteert.
- MATELOOS.
Geen enkel mens zal het in zijn hoofd halen om zich bewust tot misselijkheid en overgeven aan toe, vol te proppen met bijvoorbeeld kip. We overeten ons misschien wel vaak, maar met voorbedachte rade over de grens gaan van wat je lichaam in kan nemen, is weinigen gegeven. Je zo vol eten dat alles via dezelfde ingang weer naar buiten komt, is behalve een onplezierige ook een nutteloze activiteit. Maar los van het overbodige en onprettige karakter van deze activiteit, speelt er nog iets mee.
Als je je namelijk zo volstopt dat het -als het ware- overloopt, smaakt dat voedsel je de volgende keer niet meer echt lekker. Dat komt omdat die smaak je lichaam en geest herinneren aan de vorige keer toen je zoveel tot je nam dat je er onpasselijk van werd. Het kost vaak ook enige tijd voordat je in staat bent zonder bijsmaken en onaangename gevoelens dat voedsel weer tot je te nemen.
Je zou het misschien zo kunnen stellen dat je, door je één keer te overeten, ook de smakelijkheid van eventueel volgende keren in het voren consumeert. Zodat je eerst bijvoorbeeld drie keer zonder een prettige smaakgewaarwording moet eten, voordat je weer wat proeft dat je als smakelijk herkent. Dat is verspilling op een misselijke manier. Je moet dan drie keer boeten voor één keer zondigen. Een smakeloze bezigheid.
In het geval van eten ligt dit principe duidelijk. Ook op het gebied van alcoholgebruik of -misbruik is het nog wel te onderkennen. Onduidelijker is het waar te nemen op andere terreinen waar hetzelfde principe zijn invloed ook laat gelden. Bijvoorbeeld in het geval van hobby’s, werk, familie, vrienden, etc. Met zaken waar we minder plezier aan beleven, matigen mensen al bijna automatisch, masochisten uiteraard uitgezonderd.
Niemand doet -als het maar even kan- iets tegen zijn zin in en zeker niet zo vaak mogelijk. Het lijkt er echter enigszins op dat we bij plezieriger zaken compensatie zoeken. We storten ons er dan zo overdreven op, dat dit bijna in één teug leeggemolken wordt. In een korte tijdspanne doen we iets buitensporig vaak, om er later zelfs niet eens meer naar om te kijken.
Hier ligt -mijns inziens- ook de verklaring waarom de laatste jaren zoveel rages snel opkomen, even heel fel stralen om vervolgens weer als een komeet in het niets te verdwijnen. Ik doel hier op rage’s als surfen, wielrennen, homecomputers, 27 MC-bakkies, computerspelletjes etc. Je kunt zelf de lijst behoorlijk aanvullen als je je ogen en oren de laatste jaren open hebt gehad.
Een ding kenmerkte al die rages. Op een bepaald moment was bijna iedereen er mee bezig. Je hoorde er niet echt bij, als je niet mee deed. Een korte periode leek het wel of de mensen niets anders meer in hun vrije tijd deden als die ene activiteit. Zo plotseling als het gekomen was, zo plotseling verdween het vaak ook weer. Mensen hadden zich er overmatig aan overgegeven, totdat het ze figuurlijk de neus uitkwam. Bij een rage kan men dit principe -net zoals eten en drinken- nog duidelijk herkennen, omdat het een korte en overzichtelijke periode betreft.
Moeilijker is het te onderscheiden bij zaken die een wat langere levensduur kennen dan een rage. Ook dan maken mensen vaak de fout om zich er teveel in te gooien. Men neemt er teveel van en daardoor smaakt het niet meer, zoals het bij beperkt gebruik nog wel zou kunnen smaken. Je bepaalt grotendeels zelf door de frequentie die je hanteert, de smakelijkheids- of vermakelijkheidsfactor van een activiteit.
Wie bijvoorbeeld iedere dag patat eet, proeft het op een bepaald moment niet meer. Wie één keer per week nasi eet, proeft het na verloop van tijd ook niet meer optimaal. Eén keer in de maand is wellicht een wat beter ritme. Er hoort eigenlijk zoveel tijd tussen te zitten dat je een herhaling van iets als nieuws ervaart. Dan proef je het weer ten volle.
Zo zou je het met alles kunnen doen. Je zou pas iets moeten doen of consumeren als je er zin aan hebt. Als je er dus honger naar hebt. Dan zal het je ook zeker smaken. Anders is het zonder honger eten en dat is technisch eten, zonder gevoelswaarde en zonder een werkelijke gewaarwording. Dan leef je niet naar je eigen gevoel van dat moment, maar naar een er door de tijd ingesleten -dus automatisch- ritme.
Je zou dan ook op ieder vlak zowel geestelijk als lichamelijk hongerig moeten proberen te blijven. Dan heb je de grootste kans dat je het ten volle proeft en dat het zal smaken. Je zou honger kunnen vergelijken met zin. En zonder zin in het leven heeft het leven ook weinig zin.
- (G)EEN RICHTING.
Interesse is een prachtige eigenschap. Zij is de voorbode van de ontdekking. Met mate is zij een te koesteren vermogen van de Homo Sapiens. Met mate schreef ik al, want ook deze -in principe prachtige- eigenschap, krijgt bij verkeerd gebruik onplezierige gevolgen. Interesse is namelijk, behalve de voorbode van de ontdekking, ook het begin van vernauwing.
Het leven is zo divers en biedt zoveel mogelijkheden en variaties, dat je je haast wel moet beperken tot bepaalde zaken. Ons leven is immers te kort om ons overal in te verdiepen, dus een keuze is geboden. Veel mensen maken echter de fout om zich helemaal in of op één richting te storten. Als dat een richting is die je helemaal past lijkt dat prachtig, maar je vergeet dan dat als je op één paard wedt en als dit paard ooit kreupel mocht worden, jouw stal verder ook leeg is.
Een voorbeeld: Iemand die in het bezit is van een een onstuitbare ijver en twee willige rechterhanden, werkt als bouwvakker. Dat gaat hem zo goed af, dat het ook zijn hobby wordt. Zelfs in de avonden en weekeinden klust hij er lustig op los. Andere dingen trekken zijn aandacht niet, want hij en zijn aandacht zijn totaal in beslag genomen door bouwvakken.
Zowel zijn werk als zijn hobby zijn bouw geworden. Scherper gezegd, zijn hele leven is bouw geworden. Op een kwade dag, begint zijn rug op te spelen. Hij bijt nog een tijdje stug door, maar de dokter gebiedt hem op zeker te spelen en te stoppen, omdat hij anders in een rolstoel terecht zal komen en dan is zijn rol helemaal uitgespeeld.
Morrend schikt hij zich in zijn nieuwe rol. Na enige tijd komt hij echter geestelijk in de problemen, omdat hij al zijn energie en aandacht, noem het zijn ei, niet kwijt kan. Zijn hele lichaam en geest staan naar het vak bouwen en na een tijdje blijkt dat het er in de jaren zo ingeslopen is dat hij het er niet meer uitkrijgt. Het lukt hem niet om zich ergens anders op te richten. De kans is groot dat hij zo al doorrommelend in een depressie terecht komt en door gebrek aan bezigheden en interesses steeds verder weg zakt.
Na dit gelezen te hebben zou je kunnen stellen dat deze man pech gehad heeft. Ik zie dat anders. Hij heeft, waarschijnlijk zonder het zich te realiseren, het risico genomen, door alles op één kaart te zetten, dat die kaart hem uit handen gespeeld kan worden. En dan zit je vervolgens met lege handen. Het is natuurlijk veel verstandiger om een kaart of tien van de stapel te pakken en deze achter de hand te houden. Als er dan één kaart sneuvelt, heb je er altijd nog negen over om door te kunnen spelen.
Om op de ongelukkige bouwvakker terug te komen. Het was slimmer geweest als hij hobby’s of bezigheden had gekozen, die niets met de bouw te maken hebben. Bijvoorbeeld: kaarten, puzzelen, voetballen, vissen, etc. Dan had hij iets gehad om op terug te vallen. Nu viel hij in een diep gat, dat hij -waarschijnlijk onbewust- zelf had gegraven.
Nu speelt er in dit soort situaties nog iets mee dat het vermelden waard is. Als je al je aandacht en energie alleen maar in één richting verbruikt, kom je op een bepaald moment in een soort roes terecht. Je doet wel van alles, maar het dringt niet meer tot je door. Je ervaart en beleeft het niet werkelijk meer. Door er echter andere dingen naast te doen, ben je weer in staat het werkelijk te ervaren.
Als het bijvoorbeeld vierentwintig uur per dag licht zou zijn, zouden we dat op zeker moment niet meer opmerken of het ons nog realiseren. Omdat het iedere dag weer donker wordt, zijn we in staat het licht te onderscheiden en te waarderen. Simpel gezegd: Variatie doet onderscheiden en waarderen.
Door je in verschillende richtingen te ontplooien bereik je tenminste twee dingen: Je bent minder kwetsbaar. Je hebt immers meer in de vingers en om handen zodat je niet snel met lege handen komt te staan. En als tweede: door meerdere activiteiten te hebben houden ze ook meer hun originele waarde voor je. Je kunt ze blijven waarderen omdat je geregeld iets anders doet. Door variatie aan te brengen in je leven kun je het dus als waardevoller ervaren.
Je zult misschien wel iemand kennen, die van zijn hobby zijn werk of van zijn werk zijn hobby gemaakt heeft. Vaak ben je dan jaloers op zo iemand. Maar dat is ten onrechte. Nu je dit gelezen hebt, weet je dat je hobby en werk beter uit verschillende dingen kunnen bestaan. Zonder werk heb je geen hobby. Zonder hobby heb je geen werk, en als je werk en hobby hetzelfde zijn, heb je geen leven.
Nog geen reacties